Streekwerk in de Westhoek
De werking in de Westhoek heeft een lange voorgeschiedenis. Vanaf de jaren '70 vonden de vakbonden, de Kamers van Koophandel, de gemeenten en de opbouwwerken mekaar om gezamenlijk de Westhoek op de economische kaart te plaatsen. De Westhoek bleef immers kampen met zijn imago van achterstelling en gebrek aan dynamiek. De opeenvolgende ontwikkelingsplannen die hierop volgden mikten vanaf aanvang - terecht - op de uitbouw van de klein stedelijke gebieden met op de eerste plaats de aanleg van industriezones. Vooral onder stimulans van het opbouwwerk via projectwerk en overleg, werden nieuwe ontwikkelingsthema's naar voor geschoven voor het buitengebied: toerisme, leefbaarheid van de dorpskernen, landbouwvernieuwing en -verbreding en milieu. Het opbouwwerk zocht dit steeds te kaderen in een meer geïntegreerde aanpak op het platteland. De Provincie werd steeds naar voor geschoven als het bestuursniveau dat moest zorgen voor de samenhang in beleid.
Jammer genoeg bleef de provinciale inbreng toen vooral beperkt tot subsidie.
Naast het inhoudelijk werd ook gewerkt aan het structureren van het streekwerk. Afzonderlijk in het noorden en het zuiden van de Westhoek ontstond een overleg van de gemeenten, waaraan socio-economische partners deelnamen.
Halfweg de jaren '80 ontstond een éénheidstructuur van het opbouwwerk voor de gehele Westhoek : Samenlevingsopbouw Westhoek. Een tijd later fusioneerden ook de overlegfora van de gemeenten onder de naam Westhoekoverleg. Enkel in Samenlevingsopbouw Westhoek zetelden provinciale vertegenwoordigers in de vzw-structuur.
Met steeds meer aandrang werd de Provincie gevraagd het voortouw te nemen in plattelandsprojecten, omdat het opbouwwerk decretaal dit niet verder mocht op zich nemen.
Toen de Provincie West-Vlaanderen uiteindelijk de optie nam om de gebiedsgerichte werking binnen de provincie uit te bouwen, konden de provinciale medewerkers zonder probleem instappen. Intussen was ook het Westhoekoverleg verzelfstandigd en had het zijn eigen medewerkers.
De provinciale medewerkers werden in de eerste plaats ingezet vanuit een thematische invalshoek. Vanaf het begin werd echter benadrukt dat er moest gezocht naar een samenhang binnen streek en platteland en dat het Westhoekoverleg (meteen ook de gemeenten) een prioritaire medestander was voor het werk ter plekke. Infrastructureel werd het streekhuis uitgebouwd als ontmoetingsplaats en werkruimte.
Organisch groeide één van de anciens door tot streekcoördinator en werd een overlegstructuur opgezet binnen het streekhuis. De provincie ondersteunt verder tal van partners in de streek op de verschillende beleidsdomeinen. Uit de werking groeiden nieuwe organisaties, zoals de Regionale landschappen. Het opbouwwerk zocht naar een nieuwe taakinvulling en betrokkenheid. De welzijnsraden verschuiven van belangenbehartigers naar fora voor overleg, projectontwikkeling.
In 2004 werd de Kompasnota uitgeschreven die een stand van zaken wil opmaken van de huidige streekwerking en probeert duidelijkheid te scheppen over de streekwerking als netwerk in de streek. Deze doorlichting is de basis voor de inbreng in deze nota.